Groei en bloeiwijze van grassen:
De grassen behoren tot de eenzaadlobigen wat zoveel betekend dat bij het ontkiemen van het zaad 1 blaadje het begin vormt van de plant. Van hieruit groeit de stengel waarbij elk blad ontspringt vanuit een knoopje, een verdikking rond de stengel. Het begin van het blad zit als een kokertje rond de stengel.

Grassen worden door de wind bestoven. Er wordt veel stuifmeel gevormd waarvoor mensen alergisch, hooikoorts, kunnen zijn. De bloeiwijze is niet opvallend qua kleur. De kleur is veelal groenig.
A="volledig" aartje met een bloeiende bloem
B = stamper
C = helmhokjes
D= onderste kelkkafje
E = bovenste kelkkafje
F= bovenste kroonkafje (palea) al dan niet met korte naald
G = onderste kroonkafje (Lemma) al dan niet met grotere naald
H = stamper en overige bloemdelen in niet uiteengevouwen staat
Gras als voedsel:
Het blad, al of niet met een deel van de stengel, wordt door grazers zoals koeien, schapen en paarden gegeten. De zaden van grassen vormen ongeveer 80 % van ons voedsel. Een ander groot deel van ons voedsel zijn weer deze grazers. Het komt er op neer dat voor 95 % van ons voedsel gras de bron is.
Symbiose:
Grazers vormen een sybiose met gras. De grazers zijn afhankelijk van het gras en het gras van de grazers. Grazers eten niet enkel gras maar ook de planten, die hoger zouden kunnen groeien dan het gras en zo zonlicht wegnemen. Grazers bemesten het gras door hun uitwerpselen. Dat het gras wordt begraast is niet erg. Grassen slaan hun voedsel op in wortelknollen en van hieruit groeit het gras snel opnieuw uit.
Soorten 'gras' die veel door ons mensen wordt verbouwd:
Westerse soorten: Haver, gerst, rogge, tarwe. Oosterse soorten: Rijst. Amerikaanse soorten: Mais.
Naar boven



